20803

ProjectHoofdkantoor Wiertz Personeelsdiensten Kerkrade
LocatieKerkrade
OpdrachtgeverWiertz Personeelsdiensten
ProgrammaRenoveren voormalig politiekantoor tot hoofdkantoor Wiertz Personeelsdiensten incl. uitbreiding en inrichting buitenruimte
Ontwerp - uitvoering2008 - 2009
FotografieHugo Thomassen

In toenemende mate zal de reguliere bouwopgave in ons land, aan het begin van onze 21e eeuw, gaan bestaan uit ontwerpen voor hergebruik van bestaande gebouwen. Deze verbouwing van een voormalig politiebureau, tot hoofdkantoor van uitzendorganisatie Wiertz, is daarvan een illustratief voorbeeld.

De architectuur van het uit 1932 daterende gebouw heeft een klassieke opzet. In materialisering, detaillering en verschijning zijn bescheiden art deco – achtige stijluitingen zichtbaar, zoals in het kleurgebruik van het tegelwerk in de gangen, alsmede in de detaillering van de kozijnen en interieurbetimmeringen. Veel van deze typerende stijlonderdelen waren nog aanwezig in het leegstaande gebouw, al was het soms ook maar ten dele.
Het complex volgt de rooilijn in de straat, met de hoofdtoegang pontificaal op de hoek. Het lijkt alsof ooit het bouwblok, waarvan het gebouw deel uitmaakt, met dit gebouw gesloten wilde worden. Aan één zijde van het gebouw gaapt echter een diepe onderbreking van dit bouwblok en kijk je in het rommelige achtergebied.
Officieel was, en is, dit bestaande gebouw niet als monument geclassificeerd. Het vergt echter weinig om te begrijpen dat dit gebouw het verdient om te behouden te worden.

Het ontwerp kent in de grondhouding een typisch canon, dat past bij dit soort van opdrachten; eerst het bestaande opschonen en herschikken tot een eenduidig en duidelijk afgebakende entiteit, daarna een duidelijk contrast zoeken met nieuwe interventies en toevoegingen.
Het vinden van een contrast is in aanleg niet al te moeilijk. Te meer daar decennia tijdsverschil zitten tussen beide ontwerpmomenten en daardoor het nodige onderscheid in architectuuropvatting. A priori zal het nieuwe dus duidelijk anders zijn dan het bestaande. Het behouden van voldoende binding tussen beide bouwdelen, belevingswerelden, architectuurtalen, etc. is echter veel moeilijker; maar wel waar het om gaat. Om er zo voor te zorgen dat oud en nieuw samen verhaal schrijven en dit stadsfragment definiëren.
Immers de kwaliteit van de openbare ruimte wordt toch vooral verkregen door de aard van het samenspel van meerdere gebouwen, en veel minder door pronkzuchtig excelleren van autistische uitzonderingsobjecten. Het is wel aan het karakter van de ontwerphand om de mate van spanning tussen beide entiteiten te bepalen.

Het bestaande gebouw is eerst helemaal opgeschoond. Het is ontdaan van misplaatste en liefdeloos uitgevoerde kleine verbouwingrepen. Ook zijn aan de achterzijde een aantal aangebouwde volumes gesloopt. Daarna is het gebouw gerenoveerd. Kapotte fragmenten zijn gerestaureerd. Nieuwe toevoegingen, zoals een aantal grote taatsdeuren en nieuwe plafonds, zijn ontworpen in de geest van de oorspronkelijke ontwerphand.
Alle ruimten werden volledig wit geschilderd, behalve de gangen en het trappenhuis. Hier werd een systeem van gekleurde wandvlakken voor ontworpen. Deze vlakken lijken een eigen geometrische wetmatigheid te volgen en zijn quasi willekeurig over wanden en plafond gedrapeerd. Het kleurenpalet komt voort uit de kleuren van de oorspronkelijke gebouwmaterialen. De kleuren zijn echter zo artificieel dat deze alleen door verf gemaakt kunnen zijn en zodoende de algemene indruk van autonomie van deze ingreep versterken.

Ter plaatse van de open gevelwand van de bestaande bebouwing, is een nieuw bouwvolume gerealiseerd, met een stapeling van twee grote zaalachtige ruimten.
Dit volume is op een logische plek, en met inzet van een tussenlid, verbonden met het gangennetwerk van het bestaande gebouw. In stedenbouwkundige zin sluit dit gebouw het bouwblok weer een beetje, en ligt het op een brave manier netjes aan de straat.
Dit volume lijkt echter vooral een stevige kist die prompt is neergezet. Dat gevoel ontstaat mede door de materialisering en detaillering van de gevelafwerking en de inzet van de ramen.
Het volume is helemaal bekleed met Cortenstaal. Mogelijk herinnert dit materiaal aan het industriële mijnverleden van deze streek, met destijds op elke straathoek zicht op stoere bedrijfsarchitectuur.

De binding tussen de twee nogal afwijkende architecturen van het bestaande en het nieuwe gebouw wordt niet alleen bereikt door de positie van beide gebouwen aan de straat.
Ook op de schaal van het maken van deze architecturen is er een sterke overeenkomst. Beide gebouwen zijn afleesbaar gebouwd met manueel hanteerbare materialen. Ook zijn deze materialen zo verwerkt, dat je bijna kunt spreken van een traditionele bouwtechniek. Dit gevoel wordt met name bemiddeld door de wijze waarop het Cortenstaal is verwerkt. Dit platmateriaal is als vlakke plaat eenvoudig gepotdekseld met gebruik van hiertoe gezette steunklemmen. Ook zal dit materiaal in verwering een vergelijkbare schaalbeleving aannemen als de naastliggende bestaande verweerde metselwerkgevels.

Dit nieuwe volume heeft een constructieve binnenschil in “eerlijk” ogende materialen. De vloeren zijn uitgevoerd in kops parket, de wanden in betonblokken, die in tegelverband zijn gemetseld, terwijl de plafonds zijn gebouwd in een houten balklaag en eenvoudige houten delen. Dit zijn bouwmaterialen die meestal als niet zichtbare ruwbouw worden ingezet. De materialen zijn echter in deze toepassing veredeld, door de exacte maatvoering van de systemen waarvan ze deel uitmaken. Ook wordt geïllustreerd wat we veronderstellen als een streven naar exactheid in het denken en tolerantie in de uitvoering.


Maastricht 2009