1827

ProjectTomorrowcity
Ontwerp2019
Artist impressionMathieu Bruls architect

Tot nu:

Na de 2e wereldoorlog hebben we het landschap en onze steden vooral ingericht met oog voor de auto.
Dat gegeven is inmiddels zo ingeburgerd en dermate uitputtend in instituties, wetten en besluitvorming vastgelegd, dat we dit amper herkennen en telkens enkel voorkomende detailproblemen oplossen.
Die dominantie van het huidige autogebruik werd en wordt amper fundamenteel bevraagd, hooguit soms door “ons soort hippies”.


Ideaal:

Al sinds Ebenezer Howard in 1898 met zijn manifest de “Garden City” zulks verbeeldde, zoeken architecten en stedenbouwkundigen naar het ideaalmodel van “wonen in het groen”.
Een evenwicht tussen menselijk handelen en de natuur als geheel dus.
In alle pogingen sindsdien lijkt het autoverkeer de spelbreker.
Nu die auto gaat muteren wordt dat ideaal eindelijk mogelijk(er).


Aanstaand:

Immers menigeen meent, wellicht terecht, dat de zelfrijdende, milieuvriendelijke, auto er aan komt.
En dan zeker in (semi-)verstedelijkte gebieden.
Natuurlijk gaat dit de inrichting van stad en landschap fundamenteel veranderen, wellicht van onze maatschappij als geheel.
Zeker ook omdat dit gegeven tot een ongekende transformatie van het gebruik en de inrichting van de publiek ruimte zal leiden.


O ja?:

Die auto stinkt dan al lang niet meer en ook maakt deze geen kabaal.
Die auto heeft ook geen stoepranden, zebrapaden, verkeerslichten, verkeersborden en wegwijzers meer nodig; de auto wordt onzichtbaar aangestuurd, geholpen via een alleen door de auto te herkennen digitale rijloper.
En toch, botsingen zullen er amper zijn; deze auto maakt een noodstop sneller dan wij mensen kunnen handelen.
Stel je voor, met een abonnement op een dergelijke auto worden we wel heel maximaal ontzorgd.
En dus wie wil er dan nog zelf rijden of, nog anachronistischer, zelf een auto bezitten?
Parkeerplaatsen en/of garages zijn niet meer nodig; tjonge.
En ook als die auto niet zelfrijdend wordt; we gaan hem in elk geval delen, en stallen op een gemeenschappelijk plek die zeker niet in de weg zal liggen.


Dus zo:

De zelfrijdende auto vraagt om een beperkte rijloper die enkel digitaal is afgebakend en makkelijk omringd kan worden door, terrassen, parken, bossen, volkstuinen, sportvelden, spelende kinderen, etc….
Mogelijk wordt het vanzelfsprekend dat elke stadsgebruiker genoeg zuurstof (= 2 a 4 bomen per persoon) om de hoek heeft aangeplant.
En genoeg groente voor eigen gebruik in de nabijheid verbouwt.
In elk geval er ontstaat genoeg plek om elkaar ontspannen te ontmoeten, want de stress van een volle parkeerplaats of een vervaarlijke straat kennen we enkel nog van historische foto’s.
En gebouwen hoeven geen rekening meer te houden met verkeersgeluid of verkeerslucht.
Wie wil er dan nog een achtertuin, terwijl je alles in je “voortuin” vindt.
En de traditionele hiërarchie van “zichtlocatie” en “achteraf”, wordt desgewenst een wedstrijd in digitale vindbaarheid.


We hebben een toekomstbeeld:

Er ontstaat een andere relatie tussen gebouw en landschap.
We beginnen met een park of een bos.
Gebouwen in dat park hebben een andere inplant, structuur, verschijning….
Een fundamentele andere omgang met natuur dus.
Mogelijk is die nieuwe woonwijk in belangrijke mate autarkisch.
Die “Parkstadwijk” wordt in elk geval totaal anders gestructureerd en gaat er totaal anders uitzien.
Een dergelijk woonmilieu leidt wellicht ook tot andere sociale verbanden.


Concreet:

Zo kunnen in die aanstaande Parkstadwijk woningen rug-aan-rug worden gebouwd, omdat die nieuwe voortuin net zo rustig is als de huidige achtertuin.
Tegen elkaar aan bouwen is ook meteen veel energiezuiniger.
Er blijft zodoende ook maximaal veel park aan de voorzijde.
Die woningen kunnen makkelijk variëren in omvang en soort.
Omgang met fysiek naasten wordt geprovoceerd, omdat de buitenruimte hier alle aanleiding toe geeft.
Vergeet daarbij niet dat we almaar meer eenpersoonshuishoudens krijgen en gevoelens van vereenzaming allang niet meer leeftijdgebonden zijn.
Voor de voordeur ontstaat een landschap van privé- en collectieve terrassen met (fietsen)bergingen, plantsoenen, bossen, picknickplekken, tuinkassen, buitenkeukens, een kippenren, sport- en speelvelden….


Meer sociaal en dus divers:

Nu we elkaar in de buitenruimte weer zullen ontmoeten lijkt het maar al te logisch dat onze woningen een gezonde mix zullen vormen van alle actuele woonwensen.
Immers wie wil een gesegregeerde maatschappij?
Naast gezingswoningen, zullen er ook kleine hoogwaardige woningen, PocketHouses (of TinyHouses en TinyAppartments) gerealiseerd worden.
En WeHouses als familiecomplex, waarbij seniorenwoningen infomeel verbonden zullen worden met gezinswoningen, zodat een doorschuif-familie- complex ontstaat en mantelzorg vele malen makkelijker geleverd kan worden.
Of WeAreFamily, woongroep-woningen, voor die aanstaande grote hoeveelheid éénpersoonshuishoudens, die graag wonen in zelfstandige woonruimte, rond een collectief en zorgzaam midden; de nieuwe woongroep dus.


Nieuwe bouwmethodes:

Nu die aanstaande woningen een andere opzet, maar ook andere technische eisen zullen kennen, lijken ook mogelijkheden te ontstaan om deze met andere bouwmaterialen of constructietechnieken te realiseren.
Materialen zullen, net als de sociale verbanden, duurzamer zijn.
Gebruik van duurzaam hout lijkt voor de hand te liggen.
En mogelijk zullen nieuwe bouwtechnieken, zoals 3d beton-print een zachtere verschijningsvorm mogelijk maken, en overwinnen we al doende het dictaat van de haakse hoek, die vooral ook verweven is met die haakse autokruising.


DeNieuweHerberg:

Net zoals in vervlogen tijden toen het kerkgebouw en/of de markthal het midden van een gemeenschap onderdak bood, zal ook nu een midden-plek gerealiseerd worden: “DeNieuweHerberg”
Dit gebouw huisvest een kleine gemeenschapsruimte, een aantal werkplekken en multifunctionele ontmoetingsruimten.
Met dit gebouw wordt ook installatie-arm bouwen getest, o.a. door het gebruik van natuurlijke ventilatie met inzet van zonneschoorstenen. Terwijl de zon enkel binnenkomt als we dat willen.
Natuurlijk liggen eromheen terrassen, speel- en sportplekken.
Immers in de Parkstadwijk wordt met gemak door elkaar gewoond, gewerkt en gerecreëerd.


Op naar de Eco:

Ooit (in 1972) leek voor het eerst bewezen dat het verbruik van onze aardbol eindig is.
Het “Rapport vd Club van Rome” met als titel “Einde aan de groei” had zeker als bedoeling om ons wakker de schudden.
Sindsdien lijken we schijnbaar bovenal heel hard naar dat eindige toegewerkt te hebben.
Wellicht omdat we alsmaar verzuimen, (mogelijk alsmaar te moeilijk), om een geaccepteerd overall rekenmodel te ontwikkelen, dat elke handeling of product eerlijk en alomvattend waardeert, ook in relatie tot het grotere; onze planeet.
Onze recente sprongen in de capaciteit van dataverwerking zal dit vermogen tot omvattend bemeten op korte termijn dichterbij brengen.

We hongeren naar een nieuwe rekeneenheid die elk product en/of elke handeling kan bemeten: De Eco.
Dan start eindelijk een eerlijk vergelijk: Meten = weten.
Vanaf dan gaan we gefundeerd begrijpen hoe het hoort, en is ons handelen “bewezen” zinvol.
En dan stellen we die Eco samen op basis van economische, sociale en duurzaamheidsgrondbeginselen.
Immers: “Health is a State of Complete Physical, Mental and Social well-being and not merely the Absence of Disease or Infirmity” (lijfspreuk van World Health Organisation).

Het data-instituut dat deze Eco definieert of er een bijdrage aan levert, levert daarmee een ongekende bijdrage aan ons bestaan.

Stel je voor dat we aan deze nieuwe Parkstadwijk werken, terwijl we meewerken aan het formuleren van deze Eco.
Met een gefaseerd en lerend ontwerp- / realisatietraject, terwijl we telkens bemeten, wordt zodoende een ideale concrete proeftuin gerealiseerd.
wie hierin vooropgaat zal het middelpunt zijn in een samenwerking met velen en onderwijl een hypernoodzakelijk bijdrage leveren aan de toekomst.

bv Mathieu Bruls architect, Maastricht 2019